Clicking on this blue square gives you correct entrance into The Heritage of the Great War - to the FrontpageDE ERFENIS VAN DE GROOTE OORLOGClicking on this blue square gives you correct entrance into The Heritage of the Great War - to the Frontpage
Clicking on this blue line gives you correct entrance into The Heritage of the Great War - to the Frontpage

`Belgische vluchtelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog

StarBelgische vluchtelingen slapen in het hooi  


TWEEDE BEDRIJF

Decoratie als in 't eerste bedrijf.

EERSTE TOONEEL

HERDER. — Eenige vluchtelingen. — SUZETTE. — Dominé. — VOLKERT. — LANGENAKEN.

Van rechts komt Herder en 'n vluchteling, beiden dragen 'n matras tusschen hen in het tooneel over, verdwijnen zwijgend, in de linkerdeur, dan 'n tweede vluchteling met 'n kleine waschtafel, vervolgens 'n grijs heertje met 'n stalen geldkistje in de hand en 'n groot brood onder z'n arm, beiden zwijgend af, links. — Suzette komt van midden op, geheel gekleed, met haar vogeltje, zet zich op de als bed ingerichte divan, links vóór op 't tooneel, haar vogelkooitje op de knieën, drukt haar zakdoekje voor d'r oogen. Dan de dominé van midden op met 'n karaf en 'n zeepbakje, hij kijkt meewarig naar Suzette, dan links af. — Volkert midden op, met 'n emmer en 'n kandelaar, kijkt even, bewonderend medelijdend, naar haar, verdwijnt evenals de dominé zacht links. Dan wordt er tweemaal aan de deur geklopt.

Suzette.

Entrez!

(Langenaken op met groote spiegel, zet die met de rug tegen z'n schrijfbureau,
gaat eerbiedig terug op z'n teenen naar de rechterdeur).

Suzette (zeer welluidend).

Pieieiet!

Langenaken (bij de deur).

Wa-blieft u?

Suzette.

C'est mon petit oiseau.

Langenaken.

O, pardon, ik dacht, ik heet ook Piet.

Suzette.

C'est si doux — 'nne schoene naam!

Langenaken.

Vindt u, 't kan er nog al mee door, (komt naar voren] 'n lief beestje, is 't 'n pop, ik wil zeggen geen mannetje?

Suzette.

Si - si - c'est un manneke! (zet haar kooitje op de divan, staat op, ontdoet zich van hoed en mantel, arrangeert haai coiffure voor de spiegel) Ik kan kik ook ollans klappen -'k eb twie keer in 'n ollans cirque gewerkt in Amsterdam.

Langenaken.

In 'n circus? ____ Is u dan?

Suzette.

Ja zeikers, ik voltigeer aan de trapèze, oog in de luucht; met m'nne kop en mijn als en bloet erreme en bienen vol mee duiven. Attendez, in m'nne saccoche, (gaat naar den divan) 'k eb kik cartes illustrées ier, sie, da ben iek. En dan komen ze één voor één kuskes geven, oog in de luucht, comme ca! (ze spitst de lippen dicht bij hem. Uit de linker­ deur komen Volkert en de dominé, die zelf onzichtbaar, 'n hoog tochtscherm rond de divan plaatsen en onmiddellijk weer eerbiedig zich terug trekken naar de middendeur; daar hooren zij haar imitatiekus.)

Volkert.

Stakker! ze snikt nog!

Dominé.

Zoo is 't in ieder geval niet zoo'n inkijk. We zullen ze niet storen. Kom mee. (beiden af.)

Langenaken (steekt de kaart in z'n zak).

Dank u __ 't Is .... 't is ______ zeer merkwaardig, (kijkt achter zich) Wat beteekent dat?

Suzette (idem).

O, la la, une petite chambre séparée. — Oe noemen ze dat in olland — 'n intiem kotje!

Langenaken (staat vlug op, gaat aan de andere zijde van 't tooneel op 'n koffer zitten).

Mejuffrouw, of eh, madame, is u getrouwd?

Suzette.

Getrouwd. ... Ik trouw nooit!

Langenaken.

Da's tenminste één goeie karaktertrek. — Maar ik moet u tot mijn spijt dadelijk mededeelen, dat u hier in huis heel slecht op uw plaats is.

Suzette.

Ja, ja, 't is ier goed — as 'n mensch drei nachten op straat gelogeerd eed, swens dat de boemen boven z'nnen kop kapot sproengen, is m'n overal content.

Langenaken.

Dat is aan te nemen, maar u is gewoon hoog in de lucht met bloote armen aan 'n trapèze te slingeren in 'n circusje met gedresseerde duiven, en nu wil het toeval, dat u hier terecht gekomen is in 'n omgeving van heel stille en bedaarde menschen, in de omgeving van 'n onge-trouwd man.

Suzette.

Ik kan geen getrouwde mannen uitstaan.

Langenaken.

Als ik dat goed begrijp, is dat nog 'n goeie karaktertrek!

Suzette.

Dus, dan hebt u hier in huis alleenig te commandeeren?

Langenaken.

Ja, of liever néé, dat eischt 'n kleine toelichting: ik heb 'n zuster....

Suzette

Van eigen, voor de ménage.

Langenaken.

Juist, juist, voor de ménage, maar dan ook in de uit gebreidste zin van 't woord. Om het u maar ronduit te zeggen, die past op alles.

Suzette.

Dan is u wel geluukkig .......... Pieieiet!

Langenaken.

Gelukkig? hm! Jawel, dat eischt feitelijk ook 'n kleine toelichting, maar dat voert me uit de lijn van m'n gesprek. Ik wilde u kort en goed uitleggen, waarom u hier in huis niet op uw plaats is. Welnu dan, ik kan de vrouw in 't alge­ meen niet uitstaan.

Suzette.

Da's curieus .... iek ook nie.

Langenaken.

Da's ook al weer betrekkelijk 'n goeie karaktertrek. Maar permitteer me: u kunt geen vrouwen uitstaan, u kunt geen getrouwde mannen uitstaan, u trouwt nooit; zonder de zaak mathematisch te beredeneeren, ligt de conclusie voor de hand: zelfs met zulke antipathieën blijft 'n vrouw als u 'n gevaar.

Suzette.

Ik begrijp da nie.... (verleidelijk) _____ Pieieiet!

Langenaken.

Dat doet me plezier voor u — (ter zijde) da's d'r mooiste karaktertrek.

Suzette.

Zie ik er dan zoo danzjereus uit?

Langenaken.

U? Integendeel, ik spreek over de vrouw in 't algemeen. U ziet er zelfs, om 't eens literair uit te drukken, zeer etherisch uit — u heeft iets madonna-achtigs en dat: pieie pieieiet van u, heeft iets zeer melodieus, iets van 'n opgaande decoratieve lijn, 'n teerblauw wierookwalmpje.

Suzette.

U is complimenteus, (wil naar hem toe gaan.)

Langenaken.

Blijft u zitten. Als ik niet zoo zeker van mezelf was zou ik die complimenten achterwege laten. U is voor mij persoonlijk absoluut geen gevaar. Ik veronderstel dat u hel zelfde gevaar bedoelt wat ik op 't oog heb, maar de aanwezigheid van 'n vrouw werkt deprimeerend op ieder literaire arbeid. Ik heb dat na grondige observatie kunnen constateeren. Ik spreek niet van 'n koekbakker. Ik kan me zelfs heel goed voorstellen, dat zoo'n man in gezelschap van 'n vrouw zéér smakelijke koek fabriceert, maar 'n schrijver.... maakt 't bijzijn van 'n vrouw 'm niet gelukkig, dan voert-ie niets uit, maakt z'm wel gelukkig, dan voert-ie heelemaal niets uit.

Suzette

O, mais je serai si tranquille. Ik zal eel, eel, stillekes zijn. Ge meugt tot diep in de nacht daar zitten schrijven. Je ne ronfle pas.

Langenaken.

Wat doet u niet?

Suzette.


Ik snurk niet ____ Pieieiet!

Langenaken.

Dus.... U zoudt 'n oogenblik veronderstellen, dat ik hier 's nachts aan m'n bureau.. . terwijl u daar.. . niet snurkt!?

Suzette.

Awel, da genier mij nieks, a la guerre comme a la guerre. D'n oorlog zet alles op z'nne kop!

Langenaken, (peinzend).

Waar heb ik dat nog es meer gehoord? Maar, laat ons eens voor 'n oogenblik de mogelijkheid aannemen dat ik u hier op m'n studeerkamer hield — als m'n zuster 't flauwste vermoeden krijgt van uw acrobatische toeren, in tricot, van dat __ hm.... merkwaardige portret in uw taschje, dan blijft u geen minuut langer onder dit dak. Laat u er mij nog es een zien, ik heb er daar straks niet voldoende aandacht aan geschonken.

Suzette (geeft hem nog een kaart).

Voila, dat is toch niet om van te bangen?

Langenaken.

Bang? Ik zie er zelfs 'n heel mooie lijn in, 'n soepele lijn, iets __ iets.... ik kan 't juiste woord niet vinden, da's me nog nooit gebeurd, maar m'n zuster houdt er 'n tamelijk antieke moraliteit op na, die heeft 'n zeer strenge deftige educatie achter de rug — als kind met eigen rijtuig... enfin, dat krijgt u nog wel te hooren. (steekt de kaart bij zich.)

Suzette.

Mais mon Dieu, waar mot ik dan naar toe? La ville es bondée, pleine comme un boudin, in de geburen is geen bed meer te krijgen.

Langenaken.

Kunt u weer niet in Amsterdam aan de trapèze gaan hangen? Ik zou u daar dan natuurlijk 'n handje bij helpen .... dat wil zeggen ....

Suzette.

Zonder m'n duiven, ge ziet da van ier, sans mes pauvres bêtes, qui sont filées, allemaal weggevlogen in Antwerpen met 't bombardement. Je suis ruinée, geelegans geruïneerd! (begint te snikken.)

Langenaken (diep medelijdend).

Feitelijk is 't 'n stumper!

Suzette.

Als 't u gepasseerd was, vannacht weer op de keien! (staat op, valt aan z'n borst) O, comme je suis malheureuse. Ongeluukkig — Ongeluukkig!

Langenaken.

Ik hoop, dat u er van doordrongen is, dat de beleefdheid gebiedt, dat ik u in m'n armen houd, (half luid) 't is de eerste uitspatting in m'n leven. Niet huilen, niet huilen, dat maakt me zoo week. Kom, kom, de duiven zijn tegenwoordig zoo duur niet. Luister es.... ik.... hoe heet u?

Suzette.

Suzette.

Langenaken.

Luister es Suzette, heb je al aan iemand hier in huis verteld wie je, wie u is?

Suzette.

O, non, personne, j'ai toujours pleuré, ik eb mee niemand gesproken, z'ebbe zeikers gedacht dat ik doofstom was....

Langenaken.

Doofstom? Da's 'n idee. Blijf dat tegen iedereen hier in huis, vooral tegen m'n zuster. Zou u dat vol kunnen houen?

Suzette.

En mag ik dan blijven?

Langenaken.

't Is 't eenige middel, speel comedie, maar verraad je niet, anders is mijn prestige natuurlijk ook....

Suzette.

Awel, da's goed, zijn kik 'n goeie actrice .... (vleit zich tegen hem aan).

Langenaken.

U zegt dus niets, totaal niets, dat is goed afgesproken En nou zou ik u wel willen verzoeken me los te laten.

TWEEDE TOONEEL.

Vorigen. — HERDER.

(Herder midden op, met papier en potlood.)

Suzette.

Ah! — comme vous êtes gentil (kust hem).

Herder.

Was? Das iest heelemaal niet neutraal! (tot Langenaken) De dominé vraagt om de namen van de fluchtelingen. (tot Suzette) Bitte, wilt u 't hier opsjrijven?

(Suzette schrijft, geeft 't papier aan Herder.)

Herder.

En ook 't gesjlacht?

Langenaken.

Dat zal ik wel van de juffrouw zien te weten te komen geef maar hier. (neemt 't papier af) Ja, sta daar nou maar niet zoo suf over te kijken, 't is al ongelukkig genoeg, dat die juffrouw doofstom is.

Herder (verbaasd).

Doofsjtom? Wanneer is die sjtommiteit dan gekommen! Vanmorgen heeft ze me in de gang voor sjmerige Duts uitgesjolden, omdat ik d'r vogeltje wou dragen.

Langenaken (tot Smette).

Suzette is dat ___________ ? (tot Herder) Dat moet 'n ander geweest zijn. (neemt 't kooitje, maakt mond- en vingerbewegingen tegen Suzette.)

Suzette (kort, nijdig).

Van eigen, den Duts mag er nie aan geraken! (grijpt 't kooitje terug.)

Herder (tot Langenaken).

Noemt u dat sjtom?

Langenaken.

Ja, dat is al heel, .... in ieder geval, ik heb heel gegronde redenen, om te doen gelooven, dat die juffrouw daar niet spreken kan, in haar eigen belang. Dat blijft dus voorloopig zoo, goed begrepen?

Herder.

0, iek zal u wat zeggen: de Duitscher blijft altijd oentertanig, zoolang als 't moet _ (af.)

Langenaken.

Uw debuut was daar zooeven nou niet bepaald schitterend en ik hoop dat u niet vergeten zult, dat alleen het medelijden met u, me wetens en willens tot leugenaar degradeert.

Suzette.

Ik kan den Duts nie uitstaan.

Langenaken.

Maar wie kunt u dan eigenlijk wèl uitstaan?

Suzette.

U!

Langenaken.

Mij?

Suzette.

Ge zij zoo gentil, zoo intelligent, zoo sacrifiant, zoo chevalleresque. (vleit haar hoofd tegen hem aan.)

Langenaken.

Toch 'n zoet-vloeiende taal, dat Fransch. Wilt u goed onthouden, wat ik daar straks geconstateerd heb? U is voor mij persoonlijk absoluut geen gevaar. Hoe is 't nou toch in Godsnaam mogelijk, dat de Duitschers met 42 cm.- kanonnen naar zoo'n hoofd hebben kunnen schieten! (streelt haar haren.)

DERDE TOONEEL.

Vorigen. — SUZE. — VOLKERT.

(Volkert en Suze midden op.)

Volkert

Subliem!

Suze (zwaar).

Piet!

Volkert.

Stil, alweer 'n bewijs voor de ideale zijde van de oorlog!

Langenaken (onthutst).

Ik weet, dat jullie dergelijke excessen van mij allerminst gewoon zijn, maar er was nu toevallig geen andere borst om tegen te snikken, dan de mijne.

Suze.

Is dat die doofstomme dame?

Langenaken.

Ja.

Volkert.

Stel me even voor, o nee, da's lastig ....

Langenaken (tot Suzette).

Dat is m'n zuster, (met klem) m'n zus-ter en dat is m'n neef.

Suze.

Ze ziet er heelemaal niet stom uit.

Volkert.

In ieder geval één geluk, dat ze geen sikkepit van 't bombardement gehoord heeft.

Suze.

Waar komt ze vandaan?

Langenaken.

Voor zoover ik weet, is ze uit Antwerpen gevlucht, (tot Suzette) n' est-ce-pas mademoiselle? (Suzette knikt.)

Volkert.

Snapt ze je?

Langenaken.

0 ja, ze schijnt al tamelijk aan de bewegingen van mijn lippen gewend te zijn. (vlug ondoordacht) En wat 't merkwaardigste is, ik ken d'r vader heel goed, 'n ouwe kennis van me van jaren, jaren terug, hm, ook gevlucht, op 'n hondenkar naar Engeland geloof ik, zeer aristocratische familie, architect Rhode, ja Rhode.

Suze.


Eh!? ---- (slaat de handen voor 't gezicht) Christiaan! zijn dochter!

Volkert (die haar ondersteunt).

Wat krijgen we nou? Da's geen gewone flauwte.

Langenaken.

Nee, dat lijkt mij ook heel spontaan.

Suze (droevig).

Jij, op 'n hondenkar en je dochter doofstom! (duwt beiden van zich af) Laat maar, laat maar, 't is al over, let er maar niet op. (slaat de arm om Suzette, gaat met haar op den divan zitten) Arm kind, hoe heet ze?

Langenaken.

Suzette.

Suze.

Mijn naam, mijn naam, o, dat doet me goed.

Langenaken.

Als kind met eigen rijtuig gerejen ______

Suze (streelt haar handen).

En nou te voet moeten vluchten, 't schaap!

Langenaken.

Stel je maar eens in haar plaats: vroeger vertroeteld door 'n gouvernante, zanglessen van de eerste professors....

Volkert.

Hè?.... za....?

Suze.

Ik voel 't. ... o, ik voel dat zoo goed! (kust haar.)

Volkert (ter zijde tot Langenaken).

Zeg es, had ze misschien ook 'n abonnement op de dierentuin?

Suze.

Maar hoe ben je daar achter gekomen?....

Langenaken.

O, dat heeft ze me daar straks allemaal .... op 'n briefje gegeven, (haalt enkele papieren uit z'n zak, haar ansicht valt, die Volkert opraapt.)

Volkert.

Sakkerloot! heeft ze voor mij ook niet zoo'n briefje? (steekt de kaart bij zich.)

Suze.

En waar is d'r vader nu? (tot Suzette) Et ou est votre père?

(Suzette maakt de mimiek van vluchten, haalt de schouders op.)

Suze (opstaande).

Maar die zullen we gauw genoeg vinden, advertenties in alle Hollandsche en Engelsche bladen dat zij hier is, de dominé moet me helpen zoeken, laat dat maar aan mij over.

Langenaken.

Och, dat is 'n onbegonnen werk, die zit natuurlijk ergens diep in Schotland of Amerika — misschien is-ie al hier of daar krijgsgevangen gemaakt.

Suze.

En dacht jij dan, dat dat arme kind nog één rustig oogenblik hier zal beleven, zoolang ze niet in de armen van d'r vader ligt?

Volkert.

Hij heeft in ieder geval de jaren, om zoolang d'r vader te remplaceeren.

Suze.

Wie, m'n broer? Die weet niet wat 'n jong meisje toe komt, geloof me, ik spreek uit ondervinding. Nee, nee, we beginnen met direct de oproeping te plaatsen.

Langenaken.

Laat mij die dan opschrijven, ik schrijf duidelijker dan jij

Volkert (scheurt 'n vel uit z'n notitieboekje).

Hier.

Suze.

Schrijf op, kort en duidelijk: Vader, vet gedrukt. Ik wacht u met open armen. Suzette, adres enz. enz. Ziezoo, dat zullen we Guusje dadelijk weg laten brengen.

Volkert (wil haar 't briefje afnemen).

Wil ik 't soms meenemen, ik moet toch langs 't kantoor Ik had graag d'r handteekening op m'n manifest gehad maar dat lijkt me in dit speciale geval tamelijk overbodig

Langenaken.

Trouwen doet ze toch nooit.

(Suzette schudt hevig van „neen".)

Volkert.

Merkwaardig, ze snapt je weer.

Suze.

Heeft ze jou dat ook al op 'n briefje gegeven?

Langenaken.

Och nee, maar daar is ze toch veel te stom voor...bedoel....

Volkert.

Misschien is hij ook al 'n beetje aan de bewegingen van haar lippen gewoon.

Suze.

Om te beginnen, neem ik ze mee naar mijn kamer, dan kan ze zich eerst op d'r gemak wat verfrisschen, kom, kind .... (Suzette kijkt Langenaken vragend aan) Ze schijnt erg verlegen te zijn, zeker nog weinig onder de menschen geweest?

Langenaken.

Onder de menschen, nee, wèl, nee nooit!

(Volkert doet de mimiek van handen wasschen en haar kappen tegen Suzette. — Suzette neemt den arm van Suze, met haar naar den achtergrond.)

Langenaken.

'n Oogenblikje, goed dat ik er nog aan denk. Ik geloof, dat ik daar straks zoo'n beetje aan d'r gemerkt heb, dat ze hevig met d'r vader gebrouilleerd is, vin je 't dan eigenlijk niet indiscreet, om zoo'n man hier in huis te halen?

Suze.

Indiscreet? Dan is 't 'n dubbele plicht, in deze tijd om de verzoening te bewerken, wat jij Volkert?

Volkert.

Oorlog aan de oorlog!

Suze (met Suzette afgaande).

Guusje!

(Suzette keert vlug terug, neemt d'r kooitje onder den arm.)

Ik heb 't al gemerkt, ze heeft 'n echt liefhebbend hartl Ik ben ook dol met vogeltjes, (kort zwaar) Pieieiet! (beiden midden af.)

Langenaken (de handen voor de ooren, met afschuw).

Hèèè, wat 'n verschil!

Volkert (gaat naar Langenaken, die in gedachten vóór
op 't tooneel staat, tikt 'm op den schouder).

Zeg es even, daar komen ongelukken van.

Langenaken.

Waarvan?

Volkert.


Ruik jij niks?

Langenaken.

Nee.

Volkert.

Ik wel, lont! (Suze nabootsend) Christiaan— z'n dochter!

Langenaken.

Wie z'n dochter?

Volkert.

Architect Rhode, de prachtige afgeslagen partij!

Langenaken.

Wat? Maar dat is zijn dochter niet!

Volkert.

Niet?

Langenaken.

Ik heb zoo maar de eerste de beste genoemd, 'n leugentje om bestwil.

Volkert.

'n Leugentje, frissche morgen, je hebt staan liegen, dat ik er jaloersch op werd.

Langenaken.

Zeg-es even ....

Volkert.

Nee, maar — as je me nou .... 'k Ben alleen maar nieuwsgierig wie van jullie tweeën de stomste zal blijken, Dr. Langenaken, rustend leeraar in de klassieke letteren of Mademoiselle Suzette, in haar ongeëvenaarde evolutiën aan de vliegende trapèze. Maar vertel me es ronduit wat bracht jou er toe, jij, „de waarheid en niets dan de waarheid" om zoo echt degelijk te liegen, want als Suze het in de gaten krijgt, 'n rustige ouwe dag is toch maar alles.

Langenaken.

Ouwe dag.... ouwe dag.... zóó oud ben ik nog niet. (zich opwindend) Wie belet mij uit medelijden, uit diep medelijden ....

Volkert.

Pas op!

Langenaken.

Wat?

Volkert.

't Is tusschen mijn vrouw en mij ook met diep medelijden! begonnen.

Langenaken.

Wie zou mij beletten uit meelij zoo'n stakker in huis te houen! Mag ik zoo'n subtiel wezentje op straat laten slapen? in 'n schuur misschien! En als Suze d'r achter komt (flink) dan zal ik toonen dat ik hier alleen te commandeeren heb. Wat niet weet, deert niet, maar, als 't moet, zal ik hier streng en gedecideerd optreden. Wat duivel, wie is hier op mijn! eigen studeerkamer de baas? ik! ik!. ... kijk nou.... daar heb je 't alweer, blaas weg die asch, heb jij die vuile voeten mee gebracht, pas toch in Godsnaam op, as-ze 't ziet, krijg ik weer op m'n kop, ik zit er maar weer mee. (neemt vegertje en blikje van den haard, begint op z'n knieën te vegen, terwijl Volkert vlijtig het stof onder 't bureau blaast.)

VIERDE TOONEEL.

Vorigen. — Dominé. — Suze.

(Suze, met 'n brief in d'r hand, en dominé in uniform van veldprediker verschijnen voor de middendeur.)

Dominé.

Uw broer heeft misschien zeer gewichtig werk onder handen....?

Volkert.

Wie is dat?

Langenaken.

De dominé.

Volkert.

Gevechtsklaar!

Suze (tot Langenaken en Volkert).

Kijk es, wie hier is.

Volkert.

Het gedeponeerde handelsmerk van de Naamlooze Vennootschap Ouwe en Nieuwe Testament.

Dominé (komt met Suze naar voren).

Vóór ik naar het front vertrek, wou ik nog eerst eenige dringende zaken regelen. Eerstens heb ik uw zuster een schriftelijke dankbetuiging van den Landweer Commandant overhandigd voor de toegezonden warme polsmoffen....

Suze.

O, dat had heusch niet noodig geweest. Gisteren is 't heele bataljon hier voorbij gekomen, hè Piet? Ik stond op 't balkon en ze staken uit dankbaarheid allemaal d'r handen in de hoogte om ze te laten zien, schattig hè?

Dominé

Dan moet ik u mededeelen, dat ik u voorgedragen heb als voorzitter van het steuncomité in mijn plaats.

Langenaken.

Dank u, daar mis ik de ware roeping voor.

Volkert.

Dat is 'n liefdedienst.

Dominé.

En iedere liefdedienst draagt het merg der belooning in zich.

Suze.

Neem 'n voorbeeld aan mij, Suzette en ik beginnen morgen dadelijk aan de wollen buikgordels.

Volkert.

Daar zijn die soldaten net zoo dankbaar voor, dat zul je zien!

Dominé.

Suzette? Wie is dat?

Suze.

'n Zieltje van 'n vluchtelingetje uit Antwerpen, 'n doofstom meisje .... die....

Dominé.

Die hier vanmorgen met d'r Pietje achter dat scherm zat te snikken?

Suze.

Dezelfde, de dochter van 'n oud collega van m'n broer, 'n zéér, zéér sympathiek en hoogstaand man.

Volkert.

Die op 'n hondenkar naar Engeland gevlucht is, (tot Langenaken) zei jij dat niet?

Langenaken.

Of dat nou precies op 'n hondenkar gebeurd is weet ik niet. Je hoeft er geen flauwiteiten over te verkoopen.

Suze (zwaar).

Piet!

Langenaken.

't Is waar ook. (Tot dominé) En nou wil m'n zuster hemel en aarde bewegen, om die man hier in huis te halen — 'n verregaande indiscretie, want hij kan z'n dochter niet luchten of zien.

Suze.

Piet! je bent wreed, je ontneemt me de eenige kans om goed te doen.

Langenaken.

Jij hebt al 200 paar polsmoffen gebreid, da's meer dan genoeg. Bovendien waar moet-ie logeeren, alles is bezet.

Suze.

Hier.

Langenaken.

Hier. Bij Suzette? Dat neem ik niet op m'n geweten.

Dominé.

Hm! Dat lijkt mij ook zeer delicaat.

Volkert.

Christelijke naastenliefde kent geen geslacht!

Langenaken (tot Suze).

Maar wat wil je toch in Godsnaam, 'n ouwe kennis, goed, maar die ik in geen twintig jaar gezien heb. God weet, wat voor 'n individu je in huis haalt.

Volkert.

Hij kan in die tijd wel aan kleptomanie lijen.

Langenaken.

Of aan de drank zijn geraakt.

Suze.

Piet!

Volkert.

Uit baloorigheid, zou dat zoo'n wonder zijn?

Suze.

Wat?.... uit....?

Langenaken.

Of door 'n ongelukkige liefde bijvoorbeeld.

Suze.

O God, als dat.... zoo'n door en door beschaafd mensch.

Volkert.

Zooiets komt in de fijnste families voor.

Suze (flink).

Dan zal ik laten zien wat de leiding van 'n vrouw vermag. Dominé, u is onpartijdig, mag ik zoo'n ongelukkige vader, hij is ongelukkig, dat weet ik zeker, mag ik die ver van z'n kind laten zwerven? Laat 'm aan de drank zijn, laat 'm aan kleptomanie lijen, ik zal 'm op 't rechte pad terug brengen!

Dominé.

Hier is m'n hand! U is 'n voorbeeld. Wij zullen samen dien ongelukkige uit 't slijk trekken, 'm opbeuren, misschien is-ie nog niet te diep gezonken.

Volkert.

Boter aan de galg gesmeerd, hè Piet? 't Is 'n gedegenereerd type.

Langenaken

Wie met pek omgaat wordt er mee besmet. Zoo'n individu, dat al lang onder curateele staat, komt bij mij niet over de vloer, in géén geval in de kamer van Suzette.

Volkert.

Hij is trouwens al lang uit z'n vaderschap ontzet.

Suze (diep verontwaardigd).

't Is monsterachtig, wat jullie zegt, maar ik zal 'n moeder voor d'r worden (af).

Dominé.

Die vrouw heeft 'n hart van goud. (plechtig) Meneer Volkert, wij hebben in theorie steeds lijnrecht tegenover elkaar gestaan. — Woorden zijn woorden en voor de wereld heeft u gewoonlijk gelijk. Maar daden zijn daden! U beleedigt 'n afwezige, diep gezonken gedegenereerde dronkaard. — Meneer Langenaken schrikt van hem terug als ware hij 'n melaatsche, ik heb in mijn hart al lang besloten dien ongelukkige in mijn huis op te nemen.

Langenaken.

Ja, maar. ...

Dominé.

Dat is de eerste daad van de Naamlooze Vennootschap Ouwe en Nieuwe Testament. Wat zegt u daarop?

Volkert.

We zullen eerst de balans eens afwachten, en misschien is u ruimer behuisd dan ik.

Dominé.

Pardon, de eenige kleine logeerkamer, die ik bezit en die al drie dagen lang voor meneer Rhode gereed staat, krijgt hij ....

Langenaken.

Voor wie gereed staat?

Dominé

Voor architect Rhode, 'n eminent mensch!

Volkert.


Christiaan Rhode?

Dominé (tot Langenaken).

Die krijgt u in zijn plaats. Die is niet aan den drank. Die lijdt niet aan kleptomanie, of 't zou de kleptomanie van den geest moeten zijn. Ik heb 'n rijtuig naar 't station gestuurd om 'm af te halen. Even telefoneeren dat z'm hier afzetten.

Langenaken.

Maar dominé .... ik wil.

Dominé (bij de middendeur).

U wilt me bedanken, niet noodig, ik reken nooit op dank, dan heb ik geen last van ondank. Doe wel en zie niet om. I (af.)

Volkert.

Waar is m'n hoed? Ah, hier!

Langenaken.

Ga je weg? doe dat nou asjeblief niet, laat me niet met d'r alleen.

Volkert.

Dank je. Jij liegt me te aanstekelijk en de waarheid is me hier in huis veel te snel, ik wacht de komende dingen niet af!

Langenaken.

En Suzette dan ....

Volkert.

Die moet er zichzelf maar uitpraten, ik kom later wel eens hooren, hoe 't afgeloopen is.

Langenaken.

Toe, doe 't nou maar om mij plezier te doen, luister es, die vijf en zeventig gulden, die ik je geleend heb, mag je zoolang houen.

Volkert.

Houen? Dacht jij dan, dat ik daar nog 'n cent van had! Nee, hou je moratorium maar bij je, ik heb voor jouw plezier al genoeg gelogen: zie je dat gezicht al van die Rhode, als z'm daar 'n dochter in z'n armen gooien! Lieve God, dat kan goed worden, 'n dronken architect met 'n doofstomme dochter! Adieu Piet! sterkte!

Langenaken.

Wacht dan even dan ga ik met je mee, waar is m'n jas? (beiden naar de middendeur).

VIJFDE TOONEEL.

LANGENAKEN. — VOLKERT. — SUZE. — SUZETTE. - Later HERDER.

Suze (met Suzette op, tot Langenaken).

Waar ga je naar toe? Je gaat nou toch niet meer uit, hoop ik?

Langenaken.

Even, heel even maar.

Suze.

Doe me 'n genoegen en blijf thuis, de koffer van de juffrouw moet nog uitgepakt worden, hier is de sleutel, (tot Volkert) Hang jij maar eens handig die spiegel op, hier is 'n hamer en 'n kram. (tot Suzette) Kom, kindje, anders krenkt je goed te veel. (maakt den koffer open, terwijl Volkert op 't trapje den spiegel ophangt) Hier Piet, voorzichtig over je arm hangen. Wat is dat? (ze haalt 'n rood tricot voor den dag.)

Langenaken.

Ja, wat heb ik nou voor verstand van dameskleeding.

Suze.

En dit? Of 't ook nog 'n kind is: hoepeltjes om mee te spelen — hier pak es aan!

Langenaken (wenkt zenuwachtig Suzette,
terwijl Suze over den koffer gebogen staat).

Uw vader is hier, hier, hier.

Suzette.

Maar neeje, die is nog nie mee gevlucht.

Langenaken.

Jawel, hij komt hier, 't is 'n architect.

Suzette.

Neeje-neeje, 't is 'nnen dokwerker, laat die asteblief weg!

Suze.

Weer 'n tricot! Ze houdt er 'n eigenaardige garderobe op na — pak aan Piet!

Volkert.

Ziezoo, die hangt, ik groet jullie!

Suze.

Wat is dat?

Volkert (wenkt Suzette).

Ik weet alles! (wijst op mond en ooren.)

Suzette.

Wablief?

Volkert.


Je vader is terecht.

Suze.

Wat? Ringen en 'n trapèze?

Langenaken.

Da's natuurlijk in d'r angst ingepakt.

Volkert.

Misschien d'r eenige liefhebberij.

Herder (midden op).

Daar ies de dominé, met meneer Rhode! (af)

Suze (gooit de attributen terug in den koffer).

Gevonden! gevonden! God zij dank!

Suzette (tot Langenaken). Qu'est-ce qu'elle a?

Langenaken.

Ssst! ....

Suze (tot Suzette).

Kom kind, wij gaan, de schok zou ineens te hevig zijn. Dat moet geleidelijk gebeuren. Ik zal haar zoetjes voorbereiden, doen jullie 't met d'r vader, (tot Herder) Laat de heeren boven komen! (Langenaken en Volkert dringen Suzette die niet begrijpt, de deur links binnen.)

Langenaken (radeloos).

Ik had 't niet moeten doen Volkert, ik had op mijn leeftijd niet meer moeten liegen, ook niet uit meelij, meelij.... is de pest voor de maatschappij, m'n zuster vergeeft het me nooit.

Volkert.

Kalm nou maar, misschien voelt die Rhode wel iets voor 'n aangenomen kind.

Langenaken.

Kun je begrijpen. Ik heb 'm aan de drank laten gaan, jij hebt 'm uit z'n vaderschap ontzet, als-ie 't hoort, begaat-ie 'n ongeluk aan me. Nee, ik schei d'r uit met liegen, beter ten halve gekeerd dan ten heele .... daar is-ie al...

ZESDE TOONEEL.
Vorigen. — Dominé. — RHODE. — HERDER.

Dominé (met Rhode op).

Hier zijn we.

Rhode.

Meneer Langenaken, laten we elkaar de hand reiken, en elkaar es goed bekijken. Ouwe vriendschap roest niet. Waar is de tijd hè?. ... Jij bent niet veel veranderd. Ik wel, ik ben straat-arm gebombardeerd. Vijf dagen lang in de kelder gezeten. Gisteren wil ik 'n borrel inschenken, pang, 'n granaat slaat de poot onder de tafel uit, ik wil in bed stappen, pang, 'n granaat in m'n nachtkastje, ik grijp in m'n angst 'n olie- en azijnstelletje, vlieg er in m'n onderbroek mee de straat op, wil in 'n rijtuig springen, pang! 'n granaat door de achterwielen — laat ik nou op 'n hondenkar naar de grens gerejen zijn.

Volkert.

Hoor je dat Piet?

Rhode.

Ik telegrafeer m'n vriend, de dominé, die me in jouw armen werpt, en hier sta ik nou, Piet help me, ik kan niet anders!

Dominé.

Meneer Langenaken zal je helpen, als er iemand 'n mede lijdend hart heeft, is hij 't.

Rhode.

En medelijden brengt zegen!

Langenaken.

Zou je dat werkelijk denken?

Rhode.

Ik ben er zeker van. Hier staat je schuldenaar, vraag me het onmogelijke, ik zal het voor je doen.

Dominé.

Finis coronat opus! Ik ga heen, 't rijtuig wacht nog. Nog één gewichtige mededeeling. Meneer Langenaken, u wordt vanavond om 8 uur op de vergadering verwacht. Ik twijfel niet of u wordt bij acclamatie tot voorzitter gekozen!

Langenaken.

Ook dat nog. Ik neem 't beslist niet aan.

Dominé.

Dat moet. U is de eenige geschikte persoon. U zult er vanavond wel meer van hooren. Adieu.

Rhode (maakt 'n kruis achter den dominé).

Ziezoo, die is afgevoerd! 't Is misschien heel ondankbaar van me, maar ik zou wel willen dansen Piet, dat je me niet bij hèm hebt laten interneeren. Zie je mij al bij de dominé „beginnen met gezang en eindigen met gebed". Merci, niks voor mij.

Volkert.

Vertel u me es, meneer — pardon, mijn naam is Abraham Volkert!

Rhode.

Aangenaam!

Volkert.

U lijkt me 'n zeer geschikt mensch.

Rhode.

Dat ben ik ook!

Volkert.

Is u getrouwd?

Rhode.

Nou....! m'n vrouw is ook gevlucht. Maar die slag kom ik wel te boven.

Langenaken.

Waarheen?

Rhode.

Dat weet ik niet, maar maak je niet ongerust, die komt wel terecht, 't Is force majeure, en ik schik me d'r in.

Volkert.

Heeft u kinderen?

Rhode.

Nee, ik kan met recht zeggen, dat m'n geslacht in stof en asch zal vergaan, precies als de blokken huizen, die ik gezet heb, ze zijn in puin geschoten.

Volkert.

Prachtig! .... ik bedoel van uw geslacht. U moet m'n neef 'n kleine dienst bewijzen.

Rhode.

Op staande voet! Wat moet er gebeuren?

Langenaken.

Laat mij alles vertellen, Volkert. Kijk es Chris, ik heb hier uit meelij 'n arm, doofstom vluchtelmgetje in huis op­ genomen, 'n dametje uit 'n circus, je weet wel, zoo'n acrobate in tricot ....

Rhode.

Bekend — bekend!

Langenaken.

Er is in de heele stad geen vliering, geen bed meer te krijgen, als ik ze de straat op zet, moet ze misschien vannacht hier of daar op stroo, onder de bloote hemel of hoogstens in 'n schuur gaan liggen. Mag ik dat doen?

Rhode.

Waarachtig niet, dat zou zonde en jammer zijn. Als je dat deed, was je niet waard dat....

Langenaken.

Goed, zoo heb ik ook geredeneerd. Maar je kent m'n zuster, hè?

Rhode.

Wie.... ? Hoe heet ze ook weer? Suze? ...allemachtig, heb jij de deftige degelijkheid in jouw huis genomen?

Langenaken.

Genomen — Hm — Nou ja, hoe gaat dat? Ze past op me — ik bedoel, ze past me op.

Volkert.

Begrijpt u de situatie? Als die hoort, dat ze 'n koorddanseres in huis heeft ...

Rhode.

Ah zoo!. ... en nou hebben jullie gelogen? ....

Langenaken.

Ronduit gezegd — ja, we hebben gelogen, als ik anders zei, zou ik weer liegen. We hebben gezegd dat 't jouw dochter is, om er cachet op te leggen, begrijp je, m'n zuster dweept nu eenmaal met de aristocratie.

Rhode.

Aristocratie! — Dan moet je niets anders dan je duimstok en potlood — o ja, en 'n olie- en azijnstelletje bezitten. Maar enfin, ik lieg mee — dat wil zeggen, is ze de moeite waard om vader over te spelen? Hoe heet ze?

Volkert.

Suzette.

Rhode.

Suzette Breugelmans? 't Tortelduifje? Allemachtig — daar ligt d'r tricot!

Volkert.

Da's sterk!

Langenaken.

Ken je ze?

Rhode (haalt 'n ansicht uit z'n portefeuille).

Asjeblief — tien centimes — die verkoopt ze zelf in de pauze.

(Volkert en Langenaken vergelijken 'n oogenblik de ansicht met de hunne.)

Langenaken,

Hoor es, je hebt zelf gezegd, dat meelij zegen brengt.

Rhode.

Volop!

Langenaken.

Welnu dan, hou je dan voor 'n paar uur of jij d'r vader bent. — Morgen ruil ik 'r wel voor 'n ander en zoo hou ik tenminste hier de lieve vrede. — Wil je 'n oogenblik door 'n zure appel heen bijten?

Rhode.

Ik ben dol op zure appelen en dan, jij neemt 'n architect aan lager wal in je huis ....

Volkert.

Aan lager wal, dat klopt ook al.

Rhode.

Zou ik dan voor jou niet?.... Hier is m'n hand, hoor!

Langenaken.

Dank je.

Volkert.

Ziezoo Piet. — Nou zijn alle vuiltjes van de lucht!

Herder (aan de middendeur).

Da ies 'n man miet duiven!

Langenaken.

Niet noodig.

(Herder af.)

Rhode.

En nou zou 'k dolgraag 'n klein opkikkertje willen hebben.

ZEVENDE TOONEEL.

Vorigen. — SUZE. — SUZETTE. — Dan HERDER.

Suze (met Suzette aan de hand, links op).

Hier! Hier is ze, Christiaan!

Rhode (draait zich om, strekt de armen uit).

Suzette!

(Suzette twijfelt, ziet Langenaken aan.)

Suze.

Kom kind, niet haatdragend.

(Langenaken en Volkert wenken haar Suzette laat zich omarmen.)

Suze (triomphantelijk tot Langenaken).

Hij kan z'n dochter niet luchten of zien! (tot Rhode, die Suzette kust) Christiaan! dat is mooi, da's gevoelig. — Ik had 't wel gedacht. Je hart is goed gebleven — al ben je aan de drank, dat zal wel beteren, al sta je onder curateele — Ik lach er om! Al ben je nog zoo diep gezonken, ik neem m'n woorden van toen terug. — Ik wil niet weten wie d'r moeder is, je bent uit baloorigheid te zwak geweest. — Ik heb je vroeger m'n hand geweigerd. — Nou heb je me gewonnen, je hebt me verdiend! (slaat den arm om hem heen.)

Volkert.

Piet! — Lieve God, wat gaat ze nou beginnen?

Herder (vlug op).

Die man uit Antwerpen moet hier zijn, 't sjtaat in de krant.

Langenaken.

Wie is dat dan toch!

Herder.

Breugelmans!

Suzette (springt op, naar voren).

Mijn vader, mijn vader. — II est ici, mon Dieu! — Ik wil 'm nie zien, die je zattekul!

Suze, (met uitgestrekte armen, naar Suzette).

Ze spreekt! ze spreekt! — Dat doet de schok! de schok! — O, dat is 't mooiste oogenblik van m'n leven.

('t Doek valt, — terwijl Dr. Langenaken, Volkert en Herder de middendeur uitdringen en verdwijnen.)

 

Clicking on this blue line gives you correct entrance into The Heritage of the Great War - to the Frontpage

  bal   Eerste bedrijf.

  bal   Derde bedrijf.

  bal   Naar de voorpagina van de Erfenis van de Groote Oorlog