De Eerste Wereldoorlog :
oorzaak, wijze en gevolg
Door Richard Lode
- Rijksuniversiteit Groningen -
(Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen)

Tekening: Albert Hahn
“The Sinister Spirit sneered: ‘It had to be’
And again the Spirit of Pity asked: ‘Why’.”
Het bovenstaande gedicht van Thomas Hardy typeert
goed de discussie die vanaf de Eerste Wereldoorlog gevoerd wordt over de vermeende onvermijdelijkheid van deze
oorlog. Tot op heden is hier geen eenduidige mening over gevormd in de
wereldgemeenschap. Velen delen de mening van de ‘Sinister Spirit’: de Grote
Oorlog was onvermijdelijk. Maar er is ook een grote groep die aan de kant van
de ‘Spirit of Pity’ staat: waarom? Was het wel onvermijdelijk? Was er echt
niets aan te doen?
Indien het antwoord is, dat de eerste Wereldoorlog
te vermijden viel, rijst een nieuwe vraag: wat, of misschien belangrijker: wie heeft de eerste Wereldoorlog dan
veroorzaakt?
In dit essay over de Eerste Wereldoorlog worden
achtereenvolgens de oorzaken, de wijze van oorlogsvoering en de gevolgen
behandeld.
Er is dus sprake van twee problemen:
1.
onvermijdelijkheid
tegenover vermijdelijkheid
2.
de
schuldvraag of oorzaakvraag.
Als men het standpunt inneemt dat de Eerste
Wereldoorlog onvermijdelijk was (sommigen noemen dit ook wel de
deterministische benadering), hoeft men de schuldvraag niet meer te
beantwoorden, omdat het dan onzinnig zou zijn om een schuldige aan te wijzen.
De bij Versailles aangewezen schuldige, Duitsland, zou in dit geval onterecht
beschuldigd zijn.
Maar als Duitsland niet schuldig is en oorlog
onvermijdelijk, wat zijn dan de oorzaken die het kader van deze
onvermijdelijkheid hebben gevormd, en daarmee dus de Eerste Wereldoorlog in
gang gezet?
In het geval van vermijdelijkheid (ook wel de
voluntaristische benadering genoemd, omdat door bepaalde keuzes de oorlog
vermeden zou kunnen worden) zou Duitsland wel de schuldige kunnen zijn, maar
daar zetten velen ook hun vraagtekens bij. Ook hier zijn andere oorzaken te
bedenken. Het is waar dat Duitsland de eerste was die werkelijk tot aanval over
ging (alhoewel zij als laatste mobiliseerde), maar als Duitsland het niet was
zou het ook een ander land geweest kunnen zijn.
Ook bij deze invalshoek moeten we de dieperliggende
mogelijke oorzaken naar boven halen die de oorlog in gang hebben gezet.
Velen zeggen dat de oorzaak van de Eerste
Wereldoorlog de moord op Franz-Ferdinand, kroonprins van Oostenrijk-Hongarije,
was. Deze moord werd op 28 juni 1914 gepleegd door Gavrilo Princip.
Oostenrijk-Hongarije beschuldigde Servië ervan dat het een Servisch complot
was. Zij hadden geen bewijs, maar hoogstens een aanwijzing: Bilinski van de
Servische regering wist van de plannen, maar deed er niets mee. Oostenrijk-Hongarije greep deze gebeurtenis
eigenlijk aan als rechtvaardiging om oorlog te beginnen tegen Servië, wat ook
geïmpliceerd wordt door het ultimatum dat Oostenrijk-Hongarije stelde aan
Servië. Dit ultimatum was zo scherp
gesteld, dat Servië deze bijna zeker zou afwijzen.
In de periode voor de eerste wereldoorlog vond de
industriële revolutie plaats. De kapitaalkracht nam toe en er werden nieuwe en
zwaardere wapens uitgevonden. De bewapeningswedloop werd in gang gezet.
Maar bij dit punt zijn vraagtekens te plaatsen: de
vlootwedloop tussen Engeland en Duitsland was bijvoorbeeld in 1913 op zijn
einde. Ook was er bij de uitbreiding van die vloten geen plan om de vloot van
de ander te kunnen verslaan. Duitsland bijvoorbeeld had alleen plannen
ontwikkeld tegen Rusland en Frankrijk en niet tegen Engeland.
In het begin van de twintigste eeuw was er sprake
van twee machtsblokken die tegenover elkaar stonden. Aan de ene kant Engeland,
Frankrijk en Rusland (geallieerden) en aan de andere kant Duitsland,
Oostenrijk-Hongarije en Italië. Als twee van deze landen in conflict zouden
raken, werden de andere vier ook meegetrokken in de oorlog. Dit was een
dreigende situatie. Naast deze allianties hadden de afzonderlijke landen nog
losse verdragen gesloten met andere landen. Rusland steunde bijvoorbeeld
Servië.
Maar ook hier zijn weer kanttekeningen te plaatsen: de twee allianties waren niet zo sterk getuige het feit dat Italië op 23 mei 1915 aan de geallieerde zijde ging vechten. Duitsland was bang Oostenrijk-Hongarije als bondgenoot te verliezen en dus niet alleen de sterkte, maar meer nog de zwakte van de alliantie deed Duitsland steun toezeggen aan Oostenrijk-Hongarije.
De Europese grootmachten streefden ernaar hun macht
uit te breiden in koloniale gebieden elders in de wereld. Door deze
imperialistische wedloop zijn er voor 1914 veel bijna-conflicten geweest om
deze gebieden. Maar ook nu weer enkele kanttekeningen: de meeste van die
conflicten waren tussen Frankrijk en Engeland die dus samen in een van de
hierboven genoemde allianties zaten. Dit heeft dus niet het conflict
aangewakkerd tussen de allianties. Verder was Duitsland redelijk laat met de
kolonialisering en was deze meer gericht op economische doelen dan op
territoriale uitbreiding.
Meerdere etniciteiten in een land
Veel Europese landen herbergden veel verschillende
etnische groepen. Oostenrijk-Hongarije bijvoorbeeld telde er twaalf. Door
etnisch nationalisme ontstond er enige onrust in de Europese landen die met dit
probleem kampten. Voor Oostenrijk-Hongarije vormde het Slavische nationalisme
de grootste dreiging. In 1908 had Oostenrijk-Hongarije, tot grote woede van
Rusland en Servië, Bosnië-Herzegovina geannexeerd. Vanuit Servië ontstond
hierna wrok en nationalisme om een Slavisch deel van Oostenrijk-Hongarije in te
lijven (dit zou dan Bosnië-Herzegovina moeten zijn). Maar dit was nog geen
duidelijke reden voor oorlog omdat Servië te zwak was om Oostenrijk-Hongarije
te durven aanvallen en Oostenrijk-Hongarije andersom andere oplossingen voor
dit probleem had dan oorlog.
Een veel genoemd punt in de verklaring van het
conflict tussen Duitsland en Frankrijk is het gebied Elzas-Lotharingen, dat
veroverd werd op Frankrijk door de Duitsers in 1870. Het is waar dat Frankrijk
graag dit gebied terug zou zien binnen haar landsgrenzen, maar het beleid was
er niet naar dit koste wat kost te veroveren middels oorlog. Frankrijk streefde
niet naar oorlog, en pas als er oorlog zou komen, zou Frankrijk gebruik maken
van de situatie en proberen Elzas-Lotharingen te veroveren.
Het Schlieffen-plan was opgesteld door de Duitser
Alfred von Schlieffen, gericht op het voorkomen van een oorlog op twee fronten:
in het westen Frankrijk en in het oosten Rusland. Het Schlieffen-plan draaide
rond snelheid en timing. Duitsland had berekend dat Rusland 6 weken nodig zou
hebben om zijn leger te mobiliseren. Zelf had Duitsland maar 2 weken nodig, net
als Frankrijk. Daarom hoopten de Duitsers op een snelle overwinning binnen zes
weken op Frankrijk. Als de Fransen dan verslagen zouden zijn zou Duitsland de volledige
aandacht op het oostelijke front kunnen richten. Het plan was zo opgesteld dat
het Duitse leger de versterkte Franse linie bij Elzas-Lotharingen zou omzeilen
en via België tot aan Parijs doorstoten en dan eventueel de rest van het Franse
leger nog in de rug aanvallen.
Von Schlieffen wist dat het plan door verschillende
punten een kleine kans van slagen had. Hij had tevens geadviseerd dat wanneer
het zou mislukken de oorlog ook meteen beëindigd moest worden. Dit is, zoals we
weten, niet gebeurd. Dit inflexibele Schlieffen-plan heeft er voor gezorgd dat
Duitsland de eerste was die aanviel op een moment dat het misschien nog niet
echt nodig was, maar om Frankrijk voor te zijn. Ook heeft dit plan er voor
gezorgd dat een neutraal land als België werd aangevallen en dat was de
doorslaggevende factor waardoor landen als Engeland aan de oorlog gingen
deelnemen. Maar dit plan heeft er niet voor gezorgd dat er oorlog kwam, het
heeft er alleen voor gezorgd dat Duitsland begon.
Het is dus moeilijk om een duidelijke oorzaak aan te
wijzen. Het was een samenloop van omstandigheden en beslissingen.
Om bij het begin te beginnen: de moord op
Franz-Ferdinand was geen aanleiding maar een excuus voor Oostenrijk-Hongarije
om Servië de oorlog te verklaren. Het is zeker dat met deze moord de oorlog begon, maar het is niet zeker dat de
Grote Oorlog hierdoor veroorzaakt is.
Naar mijn mening is de Franz-Ferdinand moord een soort druppel geweest die de
emmer deed overlopen of, misschien beter: een schakelaar die de ontwikkelingen
in een stroomversnelling deed geraken. Als deze moord niet was gepleegd zou een
andere gebeurtenis wel gezorgd kunnen hebben dat de dreiging zou veranderen in
oorlog.
Dit wil niet zeggen dat oorlog onvermijdelijk was:
integendeel, als politici op kritieke momenten andere beslissingen hadden
genomen zouden de ontwikkelingen een heel andere wending hebben genomen. Het
besluit van Oostenrijk-Hongarije om Servië een niet te accepteren ultimatum te
stellen en het blindelings toezeggen van steun door Duitsland zijn hier
voorbeelden van. Andere belangrijke beslissingen zijn de Russische mobilisatie
(die indirect weer heeft geleid tot de Duitse aanval op Frankrijk via België in
het kader van het Schlieffenplan) en de weifelachtige houding van Engeland.
Volgens Ferguson hadden Frankrijk en Rusland waarschijnlijk geen risico genomen
als Engeland duidelijk neutraal bleef en als de Engelsen duidelijk geallieerd
werden had Duitsland misschien wel een paar keer nagedacht voor zij tot oorlog
over zouden gaan.
De ‘Spirit of Pity’ zal ‘again’ en ‘again’ blijven
vragen ‘Why?’, omdat er geen duidelijk antwoord te geven is op die prangende
vraag, waarom de Eerste Wereldoorlog uitbrak en gevoerd werd.
Voor 1914 werden oorlogen uitgevochten tussen twee
staten. Maar de Eerste Wereldoorlog was er een tussen meerdere staten. Een
ander verschil met ‘vroeger’ was dat de oorlog niet meer tussen de legers van
de oorlogvoerende staten gevoerd werd, maar tussen de samenlevingen van de twee
staten. Tevens was de oorlog niet een middel om bijvoorbeeld een geschil om een
stuk land op te lossen. Nee, de complete overwinning op het andere land was het
doel geworden. Het was een Totale Oorlog: een land won pas als de samenleving
van de vijand vernietigd was. Dit werd verder gevoed door het feit dat de
soldaten simpelweg niet overwonnen konden worden. De frontlinie bleef
grotendeels op dezelfde positie liggen. Er was een andere manier van
oorlogvoren nodig.
In de praktijk betekende dit dat de burgers die het
materieel maakten en tevens nog potentiële strijdkrachten waren, uitgeschakeld
dienden te worden. Dit gebeurde op diverse manieren waarvan de duikbootoorlog,
een middel om bevoorradingsschepen met óf materieel óf voedsel te doen zinken,
een bekend voorbeeld is. Door deze duikbootoorlog is Amerika mee gaan vechten
aan de kant van de geallieerden, nadat op 7 mei 1915 de Lusitania (een
Amerikaans passagiersschip) tot zinken werd gebracht.
Nieuwe manieren van oorlogvoeren waren de
loopgraven, het gifgas (voor het eerst gebruikt op 22 april 1915) en de tanks.
Het was een oorlog van de verdediging, zoals voorspeld door Jean de Bloch in
1898. Het was ook een oorlog met twee gezichten: het moderne (tanks, gas,
vliegtuigen) en het oude (ouderwetse communicatie met bijvoorbeeld de postduif
en ouderwetse wapens als zwaarden en de goedendag).
Velen zien de Eerste Wereldoorlog als het einde van
de wereldvrede. Zoals Hobsbawm het zegt: “Peace meant before 1914: after that
came something that no longer deserved the name.”
Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog was het
proces van Verlichting gaande: kapitalisme, wetenschap, liberalisering en
democratisering zouden de mens vooruitgang brengen. Er was sprake van een
culturele eenheid, zij het dat dit weggelegd was voor de elite. Tevens waren de
economieën van de Europese landen sterk geïntegreerd voor het uitbreken van de
Eerste Wereldoorlog, meer dan nu het geval is. Er was ook al sprake van een
soort monetair systeem in de vorm van de gouden standaard.
De heersende opvatting was dan ook dat oorlog gelijk
stond aan zelfmoord, zelfs voor de winnaar.
Toen brak de eerste Wereldoorlog uit.
Er werden ongeveer 68 miljoen soldaten
gemobiliseerd. Daarvan sneuvelden er ongeveer 9 miljoen. Rusland telde 2 miljoen doden, Duitsland 1,8
miljoen, Frankrijk 1,3 miljoen, Engeland 1,1 miljoen en Oostenrijk-Hongarije 1
miljoen.
Degene die het wel overleefde was vaak voor zijn
leven getekend en kon niet meer een normaal leven leiden. Een hele generatie
was verloren gegaan.
De oorlogvoerende landen waren niet alleen psychisch
maar ook economisch geruïneerd. Frankrijk en Engeland stonden zwaar in de
schuld bij de Verenigde Staten, de nieuwe supermacht. Duitsland zat in een
economische crisis en kampte met een ongekende inflatie, onder andere doordat
het torenhoge herstelbetalingen moest opbrengen.
Andere gevolgen waren de opkomst van totalitaire
regimes als het fascisme en het communisme, ontstaan uit onvrede bij de
arbeidersklasse. Waar de totalitaire regimes niet om zich heen grepen verbeterde
de positie van de arbeidersklasse: omdat zonder verbetering de arbeiders
revolutionaire ideeën zouden kunnen krijgen, maar ook omdat ze het kapitalisme
draaiende hielden.
Tevens was er de veranderde verhouding tussen de staat en de burger. De staat werd voor de burger belangrijker en er werd gestreefd naar een etnische eenheidsstaat.
Doordat vrouwen in de oorlog veelal het werk deden
van mannen veranderde de positie van de vrouw sterk. Zij namen na de oorlog
veel meer deel aan het productieproces. Tot slot nam de brutalisering in de
politiek toe: een mensenleven telde niet echt meer. Doelen werden belangrijker
dan de middelen.
The
End, Fin, Schluβ, Einde.